Iefke van Belkum: De lessen van een Olympisch kampioen waterpolo die ook aan ballet, judo en paardrijden deed…

Van Belkum wil dat polosters in training beweegvaardig én creatief worden

Een judoka die, ter afwisseling van de trainingen, gaat zwemmen. Een atleet die zo nu en dan eens een flink stuk fietst. Of, zoals in haar geval, een waterpoloster die aan volleybal, ballet, judo én paardrijden doet. Haar poloteam, het Russische Shturm-2002, zwoer bij de methode, en Iefke van Belkum kon er ook snel aan wennen. Oké, het voelde aanvankelijk natuurlijk wat ridicuul, maar gaandeweg ging de Leidse er de lol én het nut wel van inzien. Al was het maar omdat ze flexibeler werd en minder blessures had. “In Nederland had ik geregeld last van mijn schouder, bij mijn club in Rusland niet. Het is niet goed, en niet leuk, om alleen maar in het bad eindeloos ballen over te gooien.”


Door: Edward Swier

Uit: NL COACH 2021-03 p10-15

De afgelopen zomer was ze opeens met grote regelmaat op televisie. Nu het Nederlandse vrouwenpoloteam zich voor het eerst sinds 2008 weer voor de Olympische Spelen had geplaatst, was enige duiding wel op zijn plaats. En dus werd Iefke van Belkum, die zelf olympisch kampioene in Peking (2008) werd, telkens bij de NOS in de studio gevraagd als de vrouwen speelden. In de kwartfinale werd verloren van Hongarije. “Je merkte natuurlijk gedurende de week al dat het niet hun beste toernooi was. Verdedigend was het niet goed genoeg. Er was wel hoop, je hebt er tenslotte als liefhebber toch dertien jaar op moeten wachten voor er een nieuwe ploeg naar de Spelen ging, maar ik zag wel dat ze die kwartfinale weleens konden gaan verliezen. Zonde, maar hoe hard het ook is, ze hoorden niet bij de beste vier. Jammer. Wij hebben destijds het waterpolo echt een boost kunnen geven. Je hoopt dat zo’n impuls weer komt. Ook voor jonge speelsters die bijvoorbeeld bij de RTC’s spelen. Hoeveel speelsters zijn bereid alles nog opzij te zetten als blijkt dat die kans op succes zo immens klein is? Dat is zonde.”

“Het ASM sluit aan bij mijn ideeën als trainer”

ASM

Van Belkum is begaan met de jeugd. Ze is trainer-coach bij het RTC in Leiden, begeleidt samen met Jacob Spijker jonge talenten (jongens en meisjes) in de leeftijd van 12 t/m 18 jaar. Bovendien is ze coach van de eredivisievrouwen van ZVL-1886, waar ze eerder onder meer al jeugdcoördinator was. Van Belkum bezit, als een van de weinigen in Nederland, het KNZB trainersdiploma niveau 4. Maar is pas 35 jaar en zegt dan ook: “Als trainer-coach begin ik net. Bovendien ben je in mijn ogen nooit uitgeleerd.”

Ze schuwt vernieuwingen niet. Vandaar dat ze, na haar verblijf in Rusland, wel meer wilde weten over multidisciplinair trainen. Van Belkum ontdekte dat ze door, wat in het Athletic Skills Model (ASM) de ‘donorsporten’ genoemd worden, flexibeler en beter belastbaar werd. Ze omarmde, terug in Nederland na een carrière die haar onder meer naast Rusland ook in Griekenland en de VS bracht, de laatste jaren het ASM. “Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik beter op de hoogte wilde zijn van de laatste trends in talentontwikkeling. Het ASM trok mijn aandacht omdat het aansluit bij mijn ideeën als trainer.”

Balans

Ze stopte in 2013. “Overal waar ik in het buitenland speelde, werden je onkosten vergoed en kreeg ik een kleine bijdrage om van te kunnen leven.” En ook als trainer is het geen vetpot. “Ik heb een vriend met een goede baan, krijg daardoor veel vrijheid om de dingen te doen die ik leuk vind. Bovendien heb ik nog een eigen bedrijfje in duurzame zwemkleding, Sweet Swimmers. Maar het blijft gewoon… nou ja… het is niet mijn beroep. Ik doe dit vooral omdat ik het heel erg leuk vind en omdat ik er plezier uithaal. Ik doe dit liever dan iets waar ik meer geld voor krijg, maar minder plezier uithaal. De balans moet gewoon goed zijn, en dat is-ie nu. Het is alleen niet zo dat ik het waterpolo als mijn baan kan zien. Maar het is goed zo. Ik wist waar ik me, als waterpoloër, op kon voorbereiden.” Ze is nieuwsgierig. Dat maakte dat ze bleef studeren. “Ik haalde diploma’s bij de bond, en kwam zo ook in aanraking met het ASM. Ik wilde, nadat ik er in Rusland al ervaring mee had opgedaan, weleens weten hoe ‘de dingen nu precies werken’.”

Allround sporter

Wat was er zo bijzonder bij Shturm? “Minimaal twee keer per week deden we in Rusland een andere sport. We gingen heel vaak niet het bad, maar de sporthal in. Ik moet zeggen: ik trainde daar meer dan ooit. En ik merkte dat ik superfit was en bleef, dat ik niet geblesseerd raakte. We zaten ergens tussen de 35 en 40 uur in de week. Maar het voelde heel vaak helemaal niet als trainen. Omdat ik dacht: tof, we gaan paardrijden, lachen! Dat maakt ook dat je als groep meer uren kan maken zonder dat je het idee hebt dat je traint. Dat is toch anders dan wanneer je de hele tijd baantjes aan het zwemmen bent. 

 

Het frustreerde aanvankelijk. “Ik vond mezelf best wel gewoon allround in orde als sporter. Maar wat bizar, en eerst vooral ook frustrerend was: die Russische meisjes konden álles. Als je dat als buitenlander niet altijd van jongs af aan hebt gedaan, valt dat vies tegen hoor. Geloof me, ik werd bij het volleybal meestal als laatste gekozen. Ik merkte wel dat ik overal snel beter in werd, maar dat ik wel flink aan de bak moest.”

“Het is niet goed als je spelers machines worden die maar doen wat er gezegd wordt”

Voordelen

In het bad had ze – zo op het eerste oog – niet direct profijt van het paardrijden, en ballet was niet zozeer haar ding. Maar van het judoën merkte ze de voordelen. “Ik merkte toch dat ik op een gegeven moment, in een één tegen één-duel, net even wat makkelijker mijn arm wegdraaide. Natuurlijk zijn er, en dat heb ik tijdens de ASM-cursus ook wel wat beter leren benoemen, sporten die je helpen met je beweegvaardigheden, die complementair zijn aan het waterpolo. En sporten die je vooral doet voor je allround sportplezier. Sommige disciplines doe je om jezelf fit, gezond en gemotiveerd te houden. Terwijl een andere sport je dan weer leert beter om je as te draaien, waar je bij polo ook profijt van hebt.”

Uitwisselingen

Ze kent de vooroordelen. Dat het vooral maar ‘spel’ is. Een betaald-voetbalclub die dansoefeningen doet en – toevallig – in diezelfde periode regelmatig verliest, krijgt al snel de supporters en de media over zich heen. “Tuurlijk krijg je als trainer van de buitenwacht weleens te horen: ‘Jullie zijn alleen maar aan het buiten spelen, wat heeft dat voor zin?’ Ik denk echter dat je als trainer gewoon een keuze moet durven maken. Als je er achter staat, moet je het doen. En er de tijd voor nemen. Je gaat namelijk niet direct effect zien in de resultaten. Je moet gewoon kijken naar de progressie op de langere termijn. Er is genoeg onderzoek naar gedaan en je wordt uiteindelijk per saldo echt een betere beweger en een betere allroundsporter. Ik ben me er nu ook bewust van dat heel veel grote topsporters vanaf hun zesde niet één, maar meerdere – soms wel vier of vijf – sporten hebben gedaan. Ze waren allemaal fanatieke sporters, werden goeie bewegers en moesten daarna een keus maken. En omdat ze één ding het leukst vonden, werden ze daar dan ook nog eens heel goed in. Dat is, wat de critici misschien ook zeggen, geen toeval.”


Van Belkum stimuleert daarom ook bij het RTC uitwisselingen tussen de diverse sporters. “De basketballers, tafeltennissers, rugbyers en wij wisselen eens in de zoveel tijd van sport. Wij gaan dan als trainer bijvoorbeeld poloën met de basketballers. De lastigheid van het waterpolo is dat je behoorlijk moet kunnen zwemmen. De basketballers die dat kunnen, zijn al meteen aardige poloërs. Zoals mijn sporters vaak ook aardige basketballers zijn.”

“WE WAREN ONGELOOFLIJK KRITISCH NAAR ELKAAR, MAAR ZIJN OOK WEL BIJNA ALLEMAAL VROEG GESTOPT”

Terugkijkend op het olympisch goud uit 2008 wordt het al gauw een zoektocht naar de succesfactoren. Iefke van Belkum: “Het enige wat ik daar eigenlijk over kan zeggen, is dat wij allemaal speelsters hadden die ongelooflijk kritisch naar elkaar konden zijn, zonder dat dat gezeur opleverde. Ik denk dat dat misschien wel de grootste kwaliteit van dat team toen was, naast het feit dat we allemaal goeie waterpoloërs waren. We konden heel goed elkaars verschillen accepteren en elkaars kwaliteiten heel erg respecteren. Ik heb me ook weleens helemaal kapot geërgerd aan iemand. Maar dan stapte ik er op af, zei dat het misschien aan mij lag, maar dat ik het echt niet trok. Dat leverde dan gewoon nooit een probleem op. Die groep was mentaal zó ongelooflijk goed getraind. Het opvallende is wel dat van die groep van Peking, eigenlijk alleen Yasmine Smit uitgezonderd, vrijwel iedereen vrij jong gestopt is. Het blijft natuurlijk een beetje gissen naar de redenen daarvan, maar ik denk niet dat het toeval was. Mogelijk kwam het doordat we allemaal toch vooral met dat polo bezig waren, dat we vrij eenzijdig trainden. Misschien dat als we er meer plezier uit gehaald zouden hebben, we allemaal niet zo vlot zouden zijn gestopt. Maar misschien kwam het ook gewoon wel omdat we ons doel, olympisch goud, bereikt hadden.”

“Het is niet de taak van een trainer om kinderen te zeggen wat ze moeten doen”

Creativiteit

Bij ZVL heeft Van Belkum vanzelfsprekend niet alle tijd, haar speelsters zijn ook geen full-profs. “De ‘watertrainingen’ van de vrouwenselectie zijn in de avond, 3,5 uur in de week. Daarnaast hebben we een krachttraining van anderhalf uur. Bovendien doet iedere speelster nog een krachttraining in haar eigen tijd. Een groot deel van de selectie pakt bovendien nog enkele jeugdtrainingen of trainingen van het RTC mee. Als trainer betekent het wel dat je gewoon eigenlijk altijd tijd tekort hebt. In de voorbereiding op het seizoen gaan we regelmatig naar het strand, om in de zee te zwemmen. Daar heb je toch een ander soort weerstand. Bovendien gaan we dan weleens beachvolleyballen. Maar die frequentie wordt, als het seizoen eenmaal op gang is, logischerwijs gewoon lager.”


Zo nu en dan richt ze een zaaltje, of het bad in, met wat attributen. En geeft ze eenieder de kans zijn of haar keuze te maken. “Dat deed mijn trainer in Rusland ook. Kwam je de hal in en stonden er tal van zaken neergezet. Dat motiveerde direct om iets te gaan doen. Ik denk ook niet dat het de taak van een trainer is om kinderen te zeggen wat ze moeten doen. Nee, je moet ze de mogelijkheid geven – door met wat je ze aanreikt – iets te gaan doen. Tuurlijk, ook ik ben als polotrainer, een voorstander van het repeterende passen, dat hoor er bij. Maar het hoort er ook bij dat je ze zomaar een kwartier geeft om iets te gaan doen met de spullen die je hebt neergelegd. Dat brengt plezier, maar is ook een uitdaging. Het triggert de creativiteit in de sporter. Het is niet goed als je spelers machines worden die maar doen wat er gezegd wordt.”

Plezier

Tijdens corona profiteerde Van Belkum van haar opgedane ASM-kennis. “Het zwembad was natuurlijk voor lange tijd dicht. En dus moest ik als trainster creatief zijn. Je bedenkt dan oefeningen die je op een willekeurig veldje kunt doen, maar waar je later in het water wel iets aan hebt.” “Het is natuurlijk sowieso leuk om creatieve trainingen te geven. Ik heb heel veel plezier in het coachen en in het geven van trainingen en ik motiveer graag anderen om dat ook te doen. Daarbij past dat ik creatieve trainingen schrijf. Ik zeg niet: ‘Gaan jullie maar een kwartier lang met elkaar overpassen, dan ga ik even zitten.’ Nee, ik wil ook lekker bezig zijn, zelf ook met heel veel plezier naar de trainingen komen. Ik hoop ook dat de speelsters mij juist daarom ook een goede, maar vooral ook leuke trainer-coach vinden. Omdat ze plezier hebben. Dat moet je als trainer creëren. Ik wil sporters, en andere coaches, inspireren, motiveren. Kijk om je heen, bekijk je opties. Doe niet per se wat ik doe, maar denk na wat goed voelt. Het is sowieso goed om je te blijven ontwikkelen. Zelf ga ik dit jaar bijvoorbeeld een master of coaching aan het Johan Cruyff Institute doen. Want ik wil open staan voor nog meer ideeën. Ik vind het belangrijk dat mensen kennis hebben van wat er allemaal in het vak van trainer en coach ‘speelt’.”

ATHLETIC SKILLS MODEL:
VEELZIJDIGHEID MAAKT BETERE SPORTER VAN JE

Waarom Roger Federer toch zo’n veelzijdige tennisser is? Omdat hij goed heeft opgelet toen hij zich, ter afwisseling, bekwaamde in het badminton. En hoe het komt dat Novak Djokovic zo makkelijk kan glijden op hardcourt? Omdat zijn vader hem van jongs af de fijne kneepjes van het skiën bijbracht. Veelzijdigheid maakt een betere sporter van je, en zorgt dat je ‘een langer atletisch leven hebt’. Beweegexpert René Wormhoudt, voormalig conditietrainer van Ajax en nu van het Nederlands elftal, stimuleert de veelzijdigheid. ‘Eerst een atleet, dan een specialist’, is een van de kernelementen van het Athletic Skills Model (ASM), dat Wormhoudt samen met hoogleraar bewegingswetenschappen Geert Savelsbergh ontwikkelde. Wormhoudt en Savelsbergh hebben hun levenswerk gemaakt van de fysieke en motorische ontwikkeling van alle leeftijden, met of zonder specifieke sportaanleg. Voor Ajax ontwikkelde Wormhoudt onder meer een Athletic Skills Track, een multifunctioneel trainingsveld waarop de jeugd en het eerste elftal zich spelenderwijs motorisch beter en breder, maar ook specifiek ontwikkelde. De openbare Skills Garden is de opvolger daarvan. Hier kunnen alle grondvormen van bewegen worden beoefend. Door jong en oud, met of zonder specifieke talenten. Wormhoudt en Savelsbergh zijn warm pleitbezorgers van veelzijdig bewegen in oefen-, spel- en wedstrijd- vormen. En niet alleen voor jeugd én topsporters. Zij werken tegenwoordig ook samen met het Ouderenfonds en er is veel belangstelling voor het ASM in het bewegingsonderwijs én de zorg. Afwisseling, daar draait het om. “Je wilt kinderen echt niet een uur lang hetzelfde laten doen. Om het leuk te houden, en dat geldt ook voor volwassenen en senioren, wil je variatie aanbieden met inhoud.’’ Dat kan ook in het zwembad. “Een zwembadcomplex kan voor meer doelgroepen en doeleinden gebruikt worden. Waterpolo-oefeningen en zwemmen zijn ook van meerwaarde voor bijvoorbeeld worstelaars, voetbalclubs en het bewegingsonderwijs, mits de zwembaden op een veelzijdige wijze zijn ontworpen en ingericht.”

Wormhoudt en Savelsbergh onderscheiden in het Athletic Skills Model tien grondvormen van bewegen, waaronder klimmen, balanceren, gooien, springen en lopen. Gezamenlijk worden deze de Schijf van 10! genoemd. “Het is niet goed om als sporter maar bekwaam te zijn in een paar grondvormen. Je hebt baat bij alle. Goed kunnen gooien en vangen heeft ook veel te maken met goed kunnen slaan en mikken. Vangen is omgekeerd gooien. We weten uit onderzoek dat omgekeerde bewegingen elkaar enorm goed stimuleren. Achteruitlopen helpt om beter vooruit te kunnen lopen. Linkshandig kunnen slaan helpt om beter rechtshandig te slaan.’’ Er zijn geregeld cursussen over het Athletic Skills Model. Wormhoudt: “In vier lessen van 4,5 uur gaan we dan behoorlijk de diepte in. Zodat je ook de achtergronden van het Athletic Skills Model goed kent. Daarmee willen we docenten, instructeurs, sporters, fysiotherapeuten en coaches uitnodigen om net iets verder te kijken en andere verbanden te plaatsen.’’

Deel dit bericht:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

NIEUWSBRIEF

Gratis elke maand het laatste nieuws, actuele ontwikkelingen, interessante artikelen en opvallende berichten rondom het Athletic Skills Model op een rij in je mailbox.